Zoek resultaten voor: Meijer | Meijer
Het begon als onderkomen voor Nederlandse kunsthistorici die zelf onderzoek wilden doen in de schatkamers van de Italiaanse musea en archieven. Maar sinds de oprichting in 1958 is het Nederlands Kunsthistorisch Instituut uitgegroeid tot een wetenschappelijke onderneming met veel ijzers in het vuur. Rode draad door alle activiteiten: de artistieke relaties tussen Italië en de Nederlanden. Een gesprek met Bert Meijer, directeur en hoogleraar hoogleraar Beeldende kunst van de renaissance in Italië en de Nederlanden
Precieze gegevens over een onderzoek of nauwkeurige beschrijvingen van waarnemingen blijven meestal niet bewaard. Archivering kost tijd en ruimte en dus geld. Na afsluiting van een onderzoek wordt het "bewijsmateriaal" weggezet in een doos en deze wordt na verloop van tijd meestal met "het oud papier" meegegeven. Soms zijn basisgegevens van een onderzoek of waarnemingen in een publikatie terug te vinden. De artikelen van Pieter Harting zijn daar een goed voorbeeld van. De beschrijvingen van zijn waarnemingen met betrekking tot de ondergrond van Amsterdam (1852) en Amersfoort (1886) hebben anno 1994 niet aan waarde ingeboet. Bij o.a. de geologische kartering 1:50.000 van Nederland zijn ze nog steeds bruikbaar. Harting had belangstelling voor de geologie van de ondergrond. Wetenschappelijke interesse was niet het enige motief voor zijn onderzoekingen: Harting zocht naar "suyver" drinkwater
Volgens sommigen heeft de bijzondere hoogleraar zijn beste tijd gehad. Sponsoring van reguliere hoogleraren door het bedrijfsleven is immers een normale zaak geworden. Is de onafhankelijkheid van de wetenschap in het geding? Wat hebben universiteit en bijzonder hoogleraar eigenlijk nog aan elkaar? Er is geen reden het systeem overboord te gooien, vinden vijf Utrechtse bijzonder hoogleraren