Zoek resultaten voor: Pas | Pas
Het dieptepunt is voorbij. Het imago van de leraar wordt langzaam beter, zegt Theo Wubbels, hoogleraar-directeur van het IVLOS. Dit interfacultaire instituut voor lerarenopleiding, onderwijsopleiding en studievaardigheden leidt afgestudeerden op tot docent. In 1986 had maar een handjevol studenten zin in een carrière in het voortgezet onderwijs, nu kan het Utrechtse instituut rekenen op een jaarlijkse toestroom van 160 cursisten
De strijd van de patriotten om hervorming van ons staatsbestel, die in 1787 uitliep op een poging tot revolutie, is een echt Nederlandse beweging, nauw verbonden met en gevoed door de hier heersende christelijke verlichting. Bezorgd over het vermeende verval van hun vaderland streefden de patriotten naar verbetering van de samenleving in al haar geledingen. Pas in de jaren tachtig vond een politisering plaats die patriotten en orangisten tot tegenstanders maakte en ertoe leidde dat talrijke patriotsgezinden die deze politisering niet steunden, zich stilhielden of zelfs het orangistische kamp kozen. De door drs. W. Christiaens en dr. M. Evers uitgegeven brieven van Steven Jan en Jakob van Geuns, zonen van de Harderwijkse hoogleraar Matthias van Geuns, weerspiegelen bovenstaande ontwikkelingen. Zij laten bovendien zien welke repercussies de patriottenbeweging had binnen een familie die sympathiseerde met de patriotse doelstellingen. Steven Jan, student in Harderwijk, schreef zijn broer over de Gelderse patriottenbeweging en de weerslag ervan op het academieleven. De brieven van Jakob aan zijn ouders bevatten vooral nieuws over de gebeurtenissen in Amsterdam, waar hij stagiair was op een handelskantoor.
In 1581 besloot de Utrechtse vroedschap de boeken van de in de stad aanwezige kapittels en kloosters samen te brengen. Zo sloot ook Utrecht zich aan bij de vele steden die na de Reformatie een goede openbare bibliotheek vormden voor de eigen burgers, vaak ook met het oog op de oprichting van een hogeschool. De feitelijke overbrenging van deze katholieke collecties verliep niet zonder vertragingspogingen vanwege de toenmalige bezitters. Nogal wat boeken en handschriften zouden in de 19de eeuw pas in de UB terechtkomen. De collectie leidde een sluimerend bestaan, ondanks de inlijving van twee belangrijke legaten: de privé-bibliotheken van Mr. Evert van de Poll (800 á 1000 banden) en van de voormalige kanunnik Huybert Edmond van Buchell (3000 titels). In 1608 verscheen de eerste gedrukte catalogus, samengesteld door enkele predikanten. De oprichting van een Illustere School (1634) en kort daarna van de Universiteit (1636) noopten ook tot een afzonderlijke functie van bibliothecaris, voorheen door de koster uitgeoefend. Cornelis Booth (1605-1678) werd in 1637 de eerste echte bibliothecaris. In 1664-1670 verscheen een tweede catalogus van de collectie. Van 1678 tot 1740 stond de bibliotheek onder directie van een commissie uit de vroedschap. In 1718 verscheen een derde gedrukte catalogus. Van 1740 tot 1764 waren er twee hoogleraren bibliothecaris: Arnoldus Drakenborch en Petrus Wesseling, die in 1753 een Auctarium op de catalogus liet drukken. Hij werd opgevolgd door de oriëntalist Sebaldus Rau. In de Franse Tijd slaagde de bibliotheek erin te overleven zonder verlies van schatten. Onder Ph. W. van Heusde kende zij dan een echte expansie (1816-1839) en verhuisde in 1820 van de Janskerk naar de Wittevrouwenstraat; ook kreeg zij er een museale functie bij. In 1834-35 verscheen de eerste alfabetische catalogus. Van 1839 tot 1855 was A. van Goudoever de laatste hoogleraarbibliothecaris; van 1856-1878 was P.J. Vermeulen archivaris-bibliothecaris.
Door de vorming van het UMC Utrecht in een bredere context van 375 jaar academische geneeskunde te plaatsen, laat Annemieke Klijn zien dat de verwevenheid tussen onderwijs, onderzoek en patiëntenzorg geen vanzelfsprekende constante is. Tot het midden van de negentiende eeuw hadden zorg, onderwijs en onderzoek weinig of niets met elkaar te maken. Stedelijke gasthuizen waren instellingen van armenzorg, de universiteit was uitsluitend een onderwijsinstelling, terwijl onderzoek een zaak was van bevlogen individuen en later plaatsvond in geleerde genootschappen. Pas vanaf het laatste kwart van de negentiende eeuw raakten patiëntenzorg, onderwijs en onderzoek stapje voor stapje met elkaar verstrengeld. Met het ontstaan van raakvlakken namen echter ook de spanningen toe: de diverse belangen liepen niet altijd parallel, wat tot de nodige discussies en zelfs strijd heeft geleid. Het zijn juist deze spanningen die de geschiedenis van de academische geneeskunde zo levendig en boeiend maken. Want, waar gingen die discussies over en welke pogingen zijn er in de loop van de geschiedenis ondernomen om die spanningen weg te nemen?
In november 1940 werd mr. L.E. Visser, president van het hoogste Nederlandse rechtscollege, de Hoge Raad der Nederlanden, van zijn ambt ontheven om de enkele reden dat hij joods was. Pas in juli 1941 werd in de vacature voorzien door de benoeming van een bedrijfsjurist uit Deventer, prof. mr. J. van Loon. Deze benoeming baarde opzien. Van Loon had geen enkele rechterlijke ervaring. Hij dankte zijn hoge positie aan de goede contacten die hij al voor de oorlog met vooraanstaande Duitse juristen had. In Een ambitueuze jurist in gevaarlijk vaarwater wordt beschreven hoe het Van Loon in het hoogste rechtscollege is vergaan. De auteur kon zich daarvoor mede baseren op tot dusver onbekende gegevens uit het persoonlijk archief van Van Loon. Deze gegevens werpen ook licht op het functioneren van de Hoge Raad in zijn geheel gedurende dit belangrijke tijdvak van de vaderlandse geschiedenis. Na de oorlog werd Van Loon ter verantwoording geroepen voor de aanvaarding van het ambt van president van de Hoge Raad. De auteur plaatst vraagtekens bij de wijze waarop dit geschiedde. Dit tegen de achtergrond van het besluit van de regering om de positie van de Hoge Raad, ondanks ernstige kritiek op zijn functioneren tijdens de oorlog, niet fundamenteel ter discussie te stellen
Bij de nieuwe Universiteitsbibliotheek van Utrecht valt de uitbundig rondom aanwezige geleding van het gebouw pas op van dichtbij. De voorzetvlakken van glas en zwart beton refereren aan de functies binnen het gebouw
Onderzoek naar het functioneren van de subfaculteit psychologie naar aanleiding van conflicten
Tweehonderd jaar geleden begon Alexander Numan (1780-1852), de grondlegger van het veterinaire onderwijs in Nederland, aan zijn colleges in de Algemene Ziektekunde aan de pas opgerichte 'sRijks Veeartsenijschool in Utrecht. Van deze colleges is een handgeschreven collegedictaat bewaard gebleven. Hierin gaat Numan uitvoerig in op de ziekteclassificatie, de oorzaken van ziekte en de ziektesymptomen, in de traditie van de klassieke achttiende-eeuwse geneeskunde. Van dit collegedictaat zijn verschillende versies overgeleverd. Bert Nederbragt heeft ze grondig bestudeerd en presenteert in dit boek de versie die het dichtst bij de oorspronkelijke tekst komt. In zijn inleiding gaat Nederbragt in op de oprichting van 'sRijks Veeartsenijschool, de inhoud en organisatie van het onderwijs, de rol van collegedictaten en de kennis van (vee)artsen. Daarnaast geeft hij een uitgebreide toelichting bij het collegedictaat zelf. Dit boek biedt zo een helder beeld van hoe er begin negentiende eeuw werd gedacht over ziekte van mens en dier.
In 1815 begon het Rijk met het toekennen van studiebeurzen. Eerst op zeer kleine schaal, en niet eens met het motief om studeren toegankelijk te maken voor de armen. Pas na de Tweede Wereldoorlog werd het een doeltreffend middel om sociale mobiliteit te bevorderen. Sinds de jaren tachtig is het daarnaast een manier om studenten onafhankelijk te maken van hun ouders.