Zoek resultaten voor: Laat | Laat
Studenten gedragen zich studentikoos: zij gaan laat naar bed, slapen lang uit, drinken veel en gedragen zich min of meer aanstootgevend. Aan de studie hechten zij minder belang dan aan het studentenleven en voor maatschappelijke problemen hebben zij geen oog. Maar klopt dit beeld? Wordt niet al te gemakkelijk afgegaan op de meest opvallende kenmerken van het studentenbestaan? Deze bundel laat een andere kant zien. Er wordt aandacht besteed aan de sociale herkomst van studenten en de veranderingen daarin, aan de studentencultuur en de rol van studenten in de cultuur en niet in de laatste plaats aan het idealisme en de maatschappelijke bevlogenheid van studenten, kortom, aan de plaats en de betekenis van studenten in de samenleving.
‘Het poldermodel heeft ons erg veel gebracht’. Dat zegt Maarten Prak, hoogleraar Economische en sociale geschiedenis, in een interview. Prak bestudeert samen met Jan Luiten van Zanden de geschiedenis van het poldermodel. Nu is hij bezig met een boek over burgerschap. “Ik denk dat het poldermodel nog altijd relevant is, want kijk eens wat het ons heeft opgeleverd! Het is een model waarin autoriteit een geringe rol speelt, waarin partijen elkaar als gelijkwaardig erkennen, waarin de overheid optreedt als spelverdeler, maar niet de baas is. Dat heeft ons in het verleden erg veel gebracht, dus waarom zou je het overboord zetten? Wij hebben bijvoorbeeld het laagste aantal stakingsdagen van heel de ontwikkelde wereld, en dat komt gewoon doordat er wordt gepraat. Staken is trouwens ook een dure hobby. Ik denk dat het poldermodel echt een toekomst heeft, al zal die er anders uitzien dan de afgelopen honderd jaar.” Het typisch Nederlandse poldermodel hangt samen met burgerschap. Dat lijkt een abstract begrip, maar Prak laat zien dat ‘burgerschap’ een relevant en vooral actueel begrip is. “Ik ben geïnteresseerd in hoe politieke instituties werken. Burgerschap is mijn hoofdnummer. Daar – hij maakt een weids gebaar naar de papierstapel op zijn bureau – ligt het hoofdstuk over burgerschap in Noord- en Zuid-Amerika. Ja, het is een global history van burgerschap. En een van de grote vragen is of Europa dankzij dat burgerschap is wat wij zijn geworden.”
Door de vorming van het UMC Utrecht in een bredere context van 375 jaar academische geneeskunde te plaatsen, laat Annemieke Klijn zien dat de verwevenheid tussen onderwijs, onderzoek en patiëntenzorg geen vanzelfsprekende constante is. Tot het midden van de negentiende eeuw hadden zorg, onderwijs en onderzoek weinig of niets met elkaar te maken. Stedelijke gasthuizen waren instellingen van armenzorg, de universiteit was uitsluitend een onderwijsinstelling, terwijl onderzoek een zaak was van bevlogen individuen en later plaatsvond in geleerde genootschappen. Pas vanaf het laatste kwart van de negentiende eeuw raakten patiëntenzorg, onderwijs en onderzoek stapje voor stapje met elkaar verstrengeld. Met het ontstaan van raakvlakken namen echter ook de spanningen toe: de diverse belangen liepen niet altijd parallel, wat tot de nodige discussies en zelfs strijd heeft geleid. Het zijn juist deze spanningen die de geschiedenis van de academische geneeskunde zo levendig en boeiend maken. Want, waar gingen die discussies over en welke pogingen zijn er in de loop van de geschiedenis ondernomen om die spanningen weg te nemen?
De besturen van de zes letterenfaculteiten hebben besloten een taakverdeling op te stellen met de bedoeling om hoofdvakrichtingen die door een klein aantal mensen worden gevolgd, te concentreren in één of twee steden
De Universiteit van Utrecht laat voor haar faculteit Bètawetenschappen een nieuw gebouw realiseren op de Uithof. De nieuwbouw vervangt onder anderen het F.A.F.C. Wentgebouw, ook bekend als ‘de Ponskaart’. De nieuwbouw komt op een markante plaats op het universiteitsterrein, op de hoek van de Leuvenlaan en de Universiteitsweg. Architectuurstudio HH is verantwoordelijk voor het ontwerp, Pieters Bouwtechniek voor de constructie
'Nut en nog eens nut', zo kwalificeerde Johan Huizinga het universitaire onderzoek in de negentiende eeuw. De onderzoekers in die tijd waren echter wel degelijk geïnteresseerd in wat wij 'zuivere wetenschap' noemen. Maar zij zagen geen tegenstelling tussen 'zuiver wetenschappelijk' onderzoek en het dienen van het algemeen maatschappelijk belang. Ook begrippen als 'zuiver' en 'toegepast' wetenschappelijk onderzoek moeten dus in hun historische context worden begrepen. Bert Theunissen demonstreert dit aan de hand van de wetenschapsbeelden van vooraanstaande negentiende-eeuwse natuuronderzoekers als Jan Hendrik van Swinden, Pieter Harting, Gerrit Jan Mulder, F.C. Donders, Hugo de Vries en H.A. Lorentz. In de loop van de negentiende eeuw werden de meeste hoogleraren behalve docent ook gespecialiseerd onderzoeker. Maar het bekende beeld van de universiteit als ivoren toren is niet van toepassing. Men bleef benadrukken dat de universiteit vitale maatschappelijke belangen diende. Deze goed geschreven studie laat zien dat onderzoek van wetenschapsbeelden niet alleen inzicht biedt in de opvattingen over wetenschap en haar relatie met de samenleving, maar ook kan leiden tot herwaardering van het werk van individuele wetenschappers.
Het Minnaert-gebouw, het centrale gebouw voor de zogenoemde Noord-Westhoek van de Utrechtse universiteitswijk De Uithof, laat diverse toepassingen van het materiaal beton zien
'Wanneer je een kind laat kiezen uit een groot en een klein stuk taart, zal het altijd het grootste stuk kiezen. Dat is de eerste stap op weg naar wiskundige vergelijkingen'. Zegt professor Jan de Lange, directeur van het Freudenthal Instituut. Het wereldwijde succes van een Utrechts expertisecentrum